Ontgroening / Vergrijzing

De kranten staan de laatste tijd bol van de gevolgen van de vergrijzing ten aanzien van onze huidige maar ook toekomstige pensioenvoorzieningen, in de afspraken van het huidige kabinet zijn verhoging van de AOW – eerst naar 66- en ‘vergrijzing’ belangrijke thema’s. Ook binnen bedrijven en organisaties is ‘vergrijzing’ een steeds actueler aandachtspunt. Sommige economen beweren zelfs dat niet de crisis maar de vergrijzing de enige echte aanleiding is voor de komende bezuinigingsoperaties ( meer zorg, minder arbeidsaanbod, langer leven). Minister Donner heeft in zijn recente ( Rijks) Cao-brief naar de vakbonden ook melding gemaakt van forse initiatieven van zijn kant mbt vergrijzing.
We wisten dat natuurlijk een aantal jaren geleden al ( de demografische ontwikkelingen wijzen vanzelf de weg) , maar er valt nu niet meer aan te ontkomen.
Het is zelfs zo dat het CBS spreekt over ‘grijze druk’ en ‘ontgroening’.

In onderstaande beschouwing ( afkomstig uit een projectrapportage van het “Project grijs krijgt kleur” van RJM de Kluis) wordt wat dieper ingegaan op de betekenis van de vergrijzing en de ontgroening. De belangrijkste conclusie is dat het onontkoombaar is dat ouderen langer zullen doorwerken.

Vergrijzing als gegeven
Toekomstige ontwikkelingen zetten de Nederlandse verzorgingsstaat onder druk. Het Centraal Bureau voor de Statistiek geeft aan dat de Nederlandse beroepsbevolking op het punt staat te krimpen en de komende jaren sterk in omvang zal afnemen. Tussen 2007 en 2040 zal de beroepsbevolking in de leeftijdscategorie van 20 tot 65 jaar met 1 miljoen dalen tot 9 miljoen. Dat betekent dat straks minder mensen aan het werk zijn en Nederland een kleinere economie zal hebben. Op zich hoeft dit geen probleem te zijn, als er maar voldoende aandacht kan zijn voor de fricties die zich voor zullen doen in de overgang naar die kleinere economie. Belangrijkste opdracht wordt zoveel mogelijk mensen op de arbeidsmarkt aan het werk te krijgen of ervoor te zorgen dat ze er niet uit verdwijnen. Om dit te realiseren zijn goede voorzieningen nodig zoals kinderopvang, maar vooral ook een investering in levenslange scholing. Er is een omslag nodig op het gebied van arbeidsmarkt en participatie. Er dienen maatschappelijke afspraken te komen over de mogelijkheden van een tweede carrière voor ouderen. Er dienen meer mogelijkheden te komen tussen aan de ene kant langer doorwerken in het reguliere arbeidsproces en aan de andere kant het nog klassieke onbetaalde en onverplichte vrijwilligerswerk. Door de vergrijzing nemen ook de collectieve uitgaven aan pensioenen en gezondheidszorg toe. Tegelijkertijd wordt het moeilijker deze uitgaven te financieren. Daardoor ontstaat er een financieel probleem voor de overheid. Het leidt ook tot een spanning in de samenleving tussen een groeiende oudere generatie die afhankelijk is van collectief gefinancierde regelingen en een kleiner wordende jongere generatie die hiervoor betaalt via belastingen. Spanning ontstaat ook binnen de werkende generatie. Door internationale economische integratie en technologische ontwikkeling dreigt de positie van laaggeschoolden op de arbeidsmarkt te verslechteren, terwijl een groep mensen met een goede opleiding profiteert van internationalisering en technologische ontwikkeling. De legitimiteit van de verzorgingsstaat wordt bovendien ondermijnd doordat zij nog onvoldoende is aangepast aan recente ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving, zoals de toegenomen heterogeniteit in levenslopen en samenlevingsvormen, een hoger opleidingsniveau en gestegen arbeidsparticipatie van vrouwen. Tenslotte werkt de verzorgingsstaat een langdurige inactiviteit in de hand, ondermeer bij ouderen, laagopgeleiden, uitkeringsgerechtigden en vrouwen. Een zo’n hoge inactiviteit in combinatie met ruime overheidsvoorzieningen is op langere termijn niet houdbaar. Door de druk op de verzorgingsstaat streeft de Nederlandse overheid naar een vergroting van de arbeidsdeelname en een verhoging van het kennisniveau van de beroepsbevolking. Dit moet ervoor zorgen dat het draagvlak voor collectieve voorzieningen wordt verbreed en dat de sociale cohesie in de toekomst gewaarborgd kan blijven.

Bevolking groeit nauwelijks
In 2005 nam het aantal inwoners van Nederland met slechts 28.700 toe tot 16,33 miljoen inwoners op 1 januari 2006. In 2004 nam de bevolking nog toe met 47,5 duizend personen. De bevolkingsgroei is in de afgelopen eeuw niet eerder zo laag geweest. In het tweede kwartaal van 2006 was er zelfs sprake van een afname. Niet eerder liet een kwartaalcijfer bevolkingskrimp zien. Nederland is een van de weinige landen van de Europese Unie met een vertrekoverschot. Alleen Polen, Litouwen, Letland en Estland kenden in 2005 ook een vertrekoverschot. Tussen 2005 en 2025 zal de Nederlandse bevolking nog met ongeveer 630 duizend personen toenemen. Deze bevolkingsgroei zal zich concentreren in het westen van het land.

Vergrijzing en ontgroening
Vergrijzing en ontgroening zijn een gevolg van de ontwikkelingen in de leeftijdsopbouw van de bevolking. Al geruime tijd is het aantal ouderen in de bevolking aan het stijgen. In de nabije toekomst zal het tempo van de vergrijzing een sterke impuls krijgen doordat na 2010 de naoorlogse geboortegolf in de leeftijdsklasse van 65 jaar en ouder gaat instromen. Nederland telde in 2005 rond de 2,3 miljoen personen van 65 jaar en ouder. In 2025 zal dit aantal zijn gegroeid naar 3,5 miljoen. In 2005 was nog 14 procent van de bevolking 65 jaar en ouder, in 2025 is dit gestegen tot 21 procent. In het jaar 2050 zullen er circa vier miljoen 65-plussers zijn. Daarvan zijn dan 1,3 miljoen mensen hoogbejaard, dat wil zeggen: tachtig jaar en ouder. Het aantal van vier miljoen is ongeveer een verdubbeling ten opzichte van het huidige aantal 65-plussers. De demografische ontwikkeling dat zoveel mensen tegelijk oud worden, wordt omschreven als ‘vergrijzing’. Bovendien neemt van het totaal aantal 65-plussers het aandeel 80-plussers onevenredig veel toe, waardoor er zelfs gesproken kan worden van een ‘dubbele vergrijzing’.

De vergrijzing verloopt in Nederland minder snel dan in de meeste andere OESO landen. Niettemin zal het aantal 65-plussers in verhouding tot de bevolking in de werkende leeftijd naar verwachting bijna verdubbelen van 22% in 2000 tot 40% in 2050. Het risico bestaat dat de beroepsbevolking zich de komende decennia zal stabiliseren rond het niveau van het jaar 2000, of licht zal dalen.

Vergrijzing en ontgroening leidt tot een toenemende zogenoemde “grijze druk”. Op dit moment is deze grijze druk 22%. Dat betekent dat van elke 100 potentiële arbeidskrachten (20 – 65 jaar) er 22 personen 65 jaar en ouder zijn. Vijftig jaar geleden was dat 14%. Tot 2010 zal er een geleidelijke toename zijn, na 2010 zal er een belangrijke versnelling plaatsvinden. In 2050 zal dit percentage zijn opgelopen tot 40%. Na de piek rond 2040 zal de vergrijzing afnemen door de daling van het geboortecijfer, zoals dat in de jaren zeventig van de twintigste eeuw is ingezet. Op termijn zal de bevolking gaan krimpen als de netto vervangingsfactor kleiner is (en blijft) dan 1. In 2004 lag de netto vervangingsfactor op 0,84.

Ontgroening
De “groene druk” wordt gedefiniëerd als: het aantal personen beneden de leeftijd van 20 jaar, gemeten als een percentage van het aantal personen tussen 20 – 65 jaar. Het aantal geboortes is na het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw fors gedaald. Het nieuwe gezin met twee kinderen verdrong al snel het traditionele grote gezin. Sindsdien is het gemiddeld aantal kinderen per vrouw verder gedaald. Verdergaande individualisering, de emancipatie van vrouwen, een toenemende deelname van vrouwen aan het arbeidsproces en uitstel van de geboorte van het eerste kind dragen daaraan bij. Het lage kindertal per vrouw heeft onder meer te maken met het ‘uitstelgedrag’ van veel vrouwen. De gemiddelde leeftijd van vrouwen bij de geboorte van het eerste kind lag in Nederland in 2004 bij 29,4 jaar. In 1970 lag deze gemiddelde leeftijd nog op 24,3 jaar. Hoewel er sprake is van een Europese trend, zijn Nederlandse moeders op dit moment de oudsten van Europa.

Bevolkingspiramide
De bevolkingspiramide van de Nederlandse bevolking zal er in 2050 totaal anders uitzien in vergelijking met de bevolkingspiramide van het jaar 2000. Op 01-01-2006 beschikte Nederland over 16,33 miljoen inwoners, waarvan ongeveer 4 miljoen mensen (ongeveer 23%) de leeftijd van 55 jaar of ouder hadden. Tussen 2005 en 2025 zal het aantal personen tussen 20 en 65 jaar licht afnemen, met 3 procent. De beroepsbevolking bevindt zich vrijwel volledig in deze leeftijdsklasse.

De omvang van de potentiële beroepsbevolking bedroeg in 2005 ongeveer 10 miljoen personen. In 2025 zal deze bevolkingsgroep met circa 300.000 zijn gekrompen.

De potentiële beroepsbevolking van Nederland verandert in de toekomst niet alleen van omvang, maar ook van leeftijdssamenstelling. Het aantal jongeren (20 – 34 jaar) zal vrijwel constant blijven. Het aantal mensen op de “middenleeftijden” (35 – 49 jaar) zal echter tot 2025 fors dalen, met ongeveer 20%. Het aantal ouderen in de beroepsbevolking (50 – 65 jaar) zal daarentegen met 15% aanzienlijk stijgen.

De beroepsbevolking verandert niet alleen van samenstelling wat betreft de leeftijdsverdeling, maar zal ook veranderen wat betreft herkomst. Het aandeel van de niet westerse bevolking van 20 – 65 jaar, gerelateerd aan de totale bevolking in die leeftijdsklasse, zal stijgen.

Ontwikkeling van de arbeidsdeelname van ouderen.
Over de ontwikkeling van de arbeidsdeelname van oudere werknemers in de afgelopen periode valt op zichzelf veel positiefs te zeggen. Zo laat de arbeidsdeelname van ouderen, in de leeftijd van 55 – 64 jaar, een forse stijging zien: van 24% in 1993 naar 40% in 2004. De arbeidsdeelname van vrouwen in deze leeftijdscategorie is zelfs meer dan verdubbeld (van 11% in 1993 naar 26% in 2004). De arbeidsdeelname van oudere mannen is eveneens sterk toegenomen, van 38% naar 54%. De arbeidsdeelname van ouderen in Nederland ligt daarmee boven de gemiddelde arbeidsdeelname van ouderen in de EU. De OESO stelt in dat verband vast dat Nederland met Finland een van de landen is die het meest succesvol zijn geweest in het ombuigen van de trend van een dalende participatiegraad van oudere werknemers.

De arbeidsparticipatie van ouderen is weliswaar gestegen, maar dit neemt niet weg dat deze nog altijd achterblijft bij de algemene arbeidsdeelname. Onder 50 – 54 jarigen is de arbeidsdeelname met 70% nog altijd hoger dan de gemiddelde arbeidsdeelname. Onder 55 – 59 jarigen neemt de arbeidsdeelname af naar 55% en onder 60 – 64 jarigen is de netto arbeidsdeelname nog slechts 20%. Het is van belang te streven naar een verdere verhoging van de arbeidsdeelname van oudere werknemers, d.w.z. tot een verdere stijging van de participatiegraad.

Naar boven